Actief burgerschap, van lokaal naar globaal – Debat 3
30 januari 2017
Actief burgerschap, van lokaal naar globaal – Debat 1
30 januari 2017

Actief burgerschap, van lokaal naar globaal – Debat 2

Datum: Donderdag 27 juni 2013
Tijdstip: 19.00 uur – 21.00 uur
Locatie: Stichting Argan
Debatleider: Kamran Ullah
Thema: De rol van van het onderwijs in de burgerschapsvorming

Gastsprekers: Hessel Nieuwelink (lerarenopleider aan de Hogeschool van Amsterdam en doet promotieonderzoek over democratische denkbeelden van Nederlandse jongeren); Najia Tarhouchi (bestuurslid Islamitische Schoolbesturen Organisatie, ISBO); Lody van de Kamp (schrijver en zet zich als vertegenwoordiger van Het Zevenmanschap in voor hoffelijkheid, tolerantie en verbinding).

Opening

De debatleider opent de bijeenkomst en geeft een korte introductie. De debatreeks wordt georganiseerd door Stichting Argan in samenwerking met EMCEMO en vandaag zal de rol van het onderwijs in de burgerschapsvorming centraal staan. Het is de tweede van in totaal zes debatten. Alle standpunten die gedestilleerd kunnen worden uit de eerste vijf debatten zullen in de laatste bijeenkomst worden behandeld, waarschijnlijk met deelname van wethouder Andrée van Es.

De debatleider stelt voor een voorstelronde te houden onder de anwezigen. Hier wordt gehoor aan gegeven en er blijkt vanavond een gemêleerd gezelschap aanwezig te zijn. De gemene deler is dat ze direct of indirect met onderwijs te maken hebben. Zo zijn verschillende aanwezigen werkzaam (geweest) in het onderwijs. Twee van hen volgen momenteel de docentenopleiding maatschappijleer en één bereid zich voor om burgerschap te gaan doceren op het MBO waar hij werkzaam is. Ook is de politiek vertegenwoordigd in de vorm van een ambtenaar onderwijs van stadsdeel Nieuw-West en is er een opvoedingsfilosoof die onderzoek heeft gedaan naar de opvatting van burgerschap onder docenten. Ook zijn er twee medewerkers van de organisatie Discussiëren Kun Je Leren.

Introductie gastsprekers

Onder de aanwezigen, bevinden zich drie gastsprekers. De debatleider geeft allereerst Najia Tarhouchi de gelegenheid zich te introduceren. Zij vertelt dat ze voor de ISBO (Islamitische Schoolbesturen Organisatie) werkt, de koepelorganisatie voor islamitische scholen in Nederland. In totaal vertegenwoordigt de ISBO zevenendertig scholen. Als voorbeeld van wat zij verstaat onder burgerschap geeft ze aan dat op de inmiddels bekende Ibn Ghaldounschool jaarlijks een buurtopschoonactie word gehouden met de leerlingen. Hiermee zetten de leerlingen zich in voor hun leefomgeving en leren ze dat dit belangrijk is. Ze stelt het goed te vinden dat burgerschap een verplicht onderdeel is van het lespakket. Hiermee wordt de belangstelling voor de Nederlandse samenleving vergroot. Wel vindt ze dat het begrip duidelijker moet worden afgebakend. Dan kunnen er geen misverstanden ontstaan over het al dan niet voldoen aan de eis om het onderwerp burgerschap op te nemen in het lesprogramma. Ze vertelt dat in de praktijk blijkt dat de controles van de onderwijsinspectie hierop een willekeurig karakter hebben. Een van de scholen is in beroep gegaan tegen de uitspraak van de inspectie dat er niet voldoende aandacht zou zijn voor burgerschap. Hierbij zijn ze in het gelijk gesteld, met als motivering dat het begrip burgerschap niet duidelijk is afgebakend. Najia Tarhouchi maakt onderscheid tussen actief en passief burgerschap. Bij dat laatste ben je overal van op de hoogte maar zet je je niet specifiek in voor de maatschappij. Actief burgerschap betekent dat je daarnaast ook deelneemt aan de maatschappij en je hiervoor inzet.

Lody van der Kamp krijgt het woord en stelt zichzelf voor. Hij werkte lange tijd voor een Joods-orthodoxe school. Sinds hij gepensioneerd is heeft hij ruimte gekregen om meer tijd te besteden aan het stimuleren van burgerschap. Hij stelt dat voor burgerschap twee aspecten van belang zijn. Ten eerste is het essentieel om bewust te zijn van hoe de ene burger over de andere denkt (beeldvorming). Ten tweede is het noodzakelijk dat de burger bij zichzelf nagaat hoe hij/zij zelf denkt (zelfreflexie). Hierdoor wordt door de burger geconstateerd dat hij/zij veel minder over anderen weet dan aanvankelijk gedacht.
Hij geeft verschillende voorbeelden van manieren waarop een gesprek met jongeren de ontwikkeling van burgerschap kan stimuleren. Zo ging hij ooit uitgebreid met een Joodse brugklas in gesprek waarin bleek dat de meeste leerlingen in de veronderstelling waren dat alle Marokkanen hen haten. Ook is hij het gesprek aangegaan met een Islamitische jongen die hem op straat een hitlergroet bracht. Later heeft hij diezelfde jongen meegenomen naar het Anne Frankhuis. Het bleek dat de jongen eenvoudigweg niet wist wat een hitlergroet betekende. Als voorbeeld voor het stimuleren van zelfreflexie vertelt hij over zijn bezoek met een groep jongeren aan een tentoonstelling in Londen over Islamitische families in verschillende landen die Joden hielpen onderduiken in de Tweede Wereldoorlog. Hij vindt het uitermate belangrijk dat jongeren in Nieuw-West gewezen worden op dergelijke positieve voorbeelden.

Afsluitend vertelt hij dat hij (samen met o.a. jongerenwerker Said Bensalem) gastles heeft gegeven op scholen waar veel top600-jongeren zitten. Door intensief met hen te praten en hen mee te nemen op verschillende excursies bleek er echt een band te ontstaan. Zonder die band was het nooit mogelijk geweest om met deze jongeren over bijvoorbeeld homoseksualiteit te spreken. Inmiddels kan de homoseksuele docent over zijn geaardheid spreken en kan het COC (Nederlandse belangenvereniging voor lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transgenders) voorlichting komen geven. “Als je elkaar beter leert kennen, dan vallen grenzen weg en kun je over dingen praten. Dat is burgerschap!”

Vanuit de zaal wordt opgemerkt dat de aandacht voor burgerschap op scholen nogal eens te wensen overlaat. Zo wordt het vak burgerschap ook door docenten zonder bevoegdheid onderwezen. De vraag wordt gesteld dat wanneer burgerschap uitsluitend rust op beeldvorming en zelfreflexie het dan wel effectief is om het als vak verplicht te stellen. Chantal Deken (directeur Stichting Discussiëren Kun Je Leren) stelt dat de ontwikkeling van burgerschap gefaciliteerd dient te worden. Ze vindt daarom dat het een onderdeel zou moeten zijn van een hele reeks schoolvakken, in plaats van dat het als een apart vak wordt gegeven. Een andere spreker geeft aan zich te kunnen vinden in de introductie van Lody van de Kamp. Het valt hem op dat mensen in de veronderstelling zijn elkaar te kennen, maar dat dit in werkelijkheid tegenvalt.

Lody van de Kamp gaat in op de rol van de onderwijsinspectie die toezicht houdt op de verplichting om burgerschap te doceren. Hij geeft aan dat de inspectie werkt met de bril op van de seculiere overheid. Om het religieuze onderwijs van dienst te zijn zou er maatwerk geleverd moeten worden. Hessel Nieuwelink is het hier niet mee eens. Hij stelt dat de onderwijsinspecie een actieve rol dient te hebben. Wanneer dit niet het geval is, dan leidt dit tot verschil in kwaliteit van onderwijs.

Een andere spreker schaart zich achter het eerder genoemde standpunt dat burgerschap breder aan bod dient te komen binnen het onderwijs. Hij stelt dat jongeren in de praktijk de neiging hebben om de les burgerschap los ziet van de andere onderdelen van het onderwijs en de maatschappij. Op die manier zouden homoseksuele jongeren bijvoorbeeld niet voldoende veiligheid ervaren om voor hun geaardheid uit te komen. Najia Tarhouchi vindt ook dat de aspecten van burgerschap op de scholen op verschillende momenten moeten terug komen. Ze stelt dat hier op zoveel mogelijk verschillende momenten aandacht voor dient te zijn, zodat de jongeren het een plek kunnen geven. Daarnaast roept ze de overheid op een duidelijke definitie op te stellen. Ze stelt dat het belangrijk is duidelijk te hebben wat je de leerlingen precies mee wilt geven en waar de inspectie op kan controleren.

De debatleider geeft aan dat de derde gastspreker nog niet is geïntroduceerd. Hij geeft hem het woord. Hessel Nieuwelink vertelt docent maatschappijleer te zijn aan de Hogeschool van Amsterdam en tevens promotieonderzoek te doen naar het democratische bewustzijn onder jongeren. Hij stelt dat actief burgerschap gaat over de rol van het individu ten opzichte van de gemeenschap. Aan de andere kant gaat het ook over democratie. Hij stelt dat het voor jongeren belangrijk is om discipline aan te leren, maar dat burgerschap veel meer behelst. In zijn ogen gaat het veel te vaak uitsluitend over de “straat schoonvegen”.

Najia Tarhouchi wijst erop dat er een filosofie zit achter een initiatief zoals het schoonvegen van de straat. De jongeren leren dat ook werk dat niet leuk is, maar wèl van belang is voor de maatschappij, gedaan dient te worden. Chantal Deken stelt het opvallend te vinden dat deze acties een verplicht karakter hebben. Hessel Nieuwelink vult hierop aan dat er met dergelijke schoonmaakacties uitsluitend burgerschap bij de jongeren ontwikkeld, wanneer deze duidelijk in een kader geplaatst zijn. In de praktijk blijkt dit vaak niet het geval.

Een van de aanwezigen geeft aan dat het hem opvalt dat de studenten van de Hogeschool van Amsterdam maar weinig bewust zijn van de diversiteit van de stad. Ook als hij bijvoorbeeld de studenten van de lerarenopleiding vraagt wat ze als docent gaan doen aan seksuele diversiteit, dan krijgt hij geen duidelijk antwoord. Een aanwezige student geeft aan het hier niet mee eens te zijn. Zij vertelt persoonlijk wel degelijk op de hoogte te zijn van de diversiteit en er ook zeker in onderwezen te worden aan de HvA. Hessel Nieuwelink nuanceert deze opmerkingen door te stellen dat dergelijke aspecten wel worden onderwezen in de lerarenopleiding maatschappijleer, maar dat dit bijvoorbeeld bij toekomstige wiskundedocenten niet in het onderwijsprogramma is opgenomen.

Voortzetting plenair debat

De debatleider stelt vast dat alle gastsprekers inmiddels zijn geïntroduceerd. Hij roept alle aanwezigen op vooral actief deel te nemen aan het resterende deel van de bijeenkomst. Chantal Deken stelt voor om vandaag vooral iets actiefs te doen op het gebied van burgerschap in plaats van op een abstract niveau te discussiëren over de definitie hiervan. Jessa Wegman (projectmedewerker FORUM) heeft zelf onderzoek gedaan naar de opvatting van burgerschap onder docenten. Ze geeft aan dat het per school verschilt in hoeverre er aandacht wordt besteed aan burgerschap. Op de ene school wordt eenvoudigweg een vak burgerschap onderwezen. Andere scholen laten het onderwerp echter op verschillende momenten terugkomen. De debatleider legt uit dat er lang is gesproken over de definiëring van het begrip omdat het zo vaak gebruikt wordt en er zoveel misverstanden over bestaan.
De aanwezige ambtenaar onderwijs van stadsdeel Nieuw-West stelt dat het interessant is om te kijken naar het buitenland: “l’Education Nationale” is een leermethode die daadwerkelijk burgerschapsvorming teweegbrengt. Leerlingen leren zichzelf hier vormen. Het vak is niet te vergelijken met het vak maatschappijleer zoals wij dat kennen. Het valt hem op dat er een soort zesjescultuur bestaat onder de scholen. Op het gebied van burgerschap doen ze niets meer dan nodig.

Lody van de Kamp vertelt dat uit onderzoek blijkt dat onderwijzers zich niet voldoende geëquipeerd voelen om te onderwijzen over bijvoorbeeld de Holocaust. Hessel Nieuwelink deelt de mening dat docenten vaak niet zijn toegerust om zich op een constructieve wijze met burgerschap bezig te houden. Hij vertelt dat een paar jaar geleden op verschillende basisscholen in Nieuw-West de boel werd afgebroken als er over onderwerpen als de Holocaust werd gesproken. Daarom werd dit onderwerp buiten beschouwing gelaten. De argumenten die de docenten hiervoor gaven was dat ze het niet hun onderwerp vonden, niet durfden of niet nodig vonden. Hij benadrukt dat docenten in het basisonderwijs niet worden voorbereid op doceren over burgerschap.

Taoufik ben Yahia (projectmedewerker Stichting Argan) vindt ook dat de algemene kennis van docenten opvallend schaal is, zelfs bij bijvoorbeeld docenten geschiedenis. Een andere aanwezige wijst erop dat er ook scholen zijn die niet willen dat bijvoorbeeld de docent wiskunde het over homoseksualiteit heeft. Chantal Deken vindt dat alles valt of staat met de kwaliteit van de docent. Ze vraagt aan de gastsprekers hoe het gekomen is dat burgerschap een vast programmaonderdeel op scholen is geworden. Hessel Nieuwelink vertelt dat dit onderwerp internationaal medio jaren negentig populair werd. Hij wijdt dit aan de toename van individualisering (negatieve vorm), het consumentisme en de globalisering.

Chantal Deken vraagt de aanwezige ambtenaar onderwijs wat in zijn ogen de reden is dat er nog steeds discussie bestaat over de invulling van de verplichting om burgerschap te onderwijzen. Hij geeft aan dat zich regelmatig incidenten in de maatschappij voordoen, die tot een discussie over gebrek aan burgerschap leiden. Hij geeft het voorbeeld van een homopaar dat uit de buurt wordt weggepest. Hessel Nieuwelink stelt vast dat het opvallend is dat het bij burgerschap nooit over bijvoorbeeld fraudeleuze bankiers gaat.

Lody van de Kamp geeft aan dat hij uit de praktijk weet dat het belangrijk is om regelmatig het oor te luisteren te leggen. Het Zevenmanschap dat hij met zes anderen vertegenwoordigt, onderzoekt wat er in verschillende hoeken van de samenleving speelt en welke rol burgerschap hierbij kan spelen. Zo hebben ze het de met de directeur van het GVB (Gemeentelijk vervoersbedrijf) over de rol van hoffelijkheid onder het rijdend personeel gehad, in het voorkomen van conflicten in het openbaar vervoer. Ook vinden ze dat docenten zich juist wel moeten uitspreken over verschillen en dus wel in discussie moeten gaan over kwesties als het Midden-Oostenconflict. Najia Tarhouchi geeft aan dit te gemakkelijk gesteld te vinden. In haar ogen zijn veel docenten minder goed onderlegd dan de vorige spreker. Ze zijn onzeker over de behandeling van gevoelige onderwerpen.

Peter van Maaren (auteur van “Mijn meester is een homo”) vertelt op een school geweest te zijn waar de schoolleiding uit angst voor onrust de docenten opriep niet over homoseksualiteit te spreken. Hij benadrukt dat het veel zou oplossen wanneer docenten worden opgeleid om met conflictsituaties om te gaan. Dit is momenteel niet het geval. Hierdoor nemen veel docenten de taak niet op zich om onwetendheid onder scholieren (over bijvoorbeeld homoseksualiteit) uit de wereld te helpen.

De debatleider werpt een stelling op: op het moment dat er een ingrijpend incident plaatsvindt, zoals de moord op Theo van Gogh, dienen alle docenten met hun klas hierover te spreken. Een aanwezige docent economie geeft aan het eens te zijn met deze stelling; hij vindt dat je op zo’n moment ruimte moet geven aan de klas. Chantal Deken vertelt dat haar organisatie trainingen geeft aan docenten. Hierbij blijkt dat veel van hen te veel moraliseren. Het is belangrijk om meer een dialoog met de leerlingen aan te gaan in plaats van voortdurend vanuit de eigen moraal te spreken. Dit gebeurt nog te weinig omdat dit over de eigen identiteit van de leerkracht gaat, waardoor er veel emoties achter kunnen zitten. Ze geeft aan dat de docent zijn onzekerheid mag tonen. Lody van de Kamp geeft aan het hiermee eens te zijn en iemand anders vertelt uit eigen ervaring dat het een leuke en interessante interactie met de klas oplevert als de docent laat merken niet alles te weten. Gelijkheid tussen docent en leerling gaat niet direct ten koste van de nodige autoriteit.

Hessel Nieuwelink geeft aan dat de vorige sprekers te optimistisch zijn. Onderwerpen als Midden-Oostenconflict zijn ingewikkeld en liggen erg gevoelig. Hij geeft aan dat het om een proces gaat en dat de discussies maar langzaam geïntensiveerd kunnen worden om met elkaar in gesprek te kunnen blijven. Hij wijst op het risico dat in een discussie de opmerking van een enkele leerling een kras op de ziel van de bijvoorbeeld homoseksuele of Joodse klasgenoot kan opleveren.

Verschillende aanwezigen blijven toch bij hun standpunt dat dergelijke onderwerpen wel in de klas besproken moet worden. Hasna Elbaamrani (projectmedewerker Stichting Argan) wijst op het feit dat veel jongeren het hier thuis niet over kunnen hebben. Hierbij benadrukt zij dat het opzoeken van de discussie op internetfora niet kan worden gezien als een waardevol alternatief. Op internetfora worden emoties aangewakkerd, in plaats van gekanaliseerd. Bovendien is er geen controle op de juistheid van de informatie die ter beschikking wordt gesteld door anderen.

Peter van Maaren wijst op het gegeven dat homoseksuele jongeren het moeilijk hebben. Van deze groep zou de helft wel eens zelfmoordgedachten hebben. Er wordt gesteld dat wanneer er in bijvoorbeeld de wiskundeles wordt gescholden met het woord “homo”, de wiskundeleraar de kwaliteit moet bezitten om dit bespreekbaar te maken. De praktijk wijst uit dat er leerlingen zijn die pas heel laat uit de kast komen, omdat de situatie op school daarvoor niet voldoende veilig is.

Hessel Nieuwelink blijft bij zijn standpunt. Kennis lost naar zijn mening niet alles op. Zo weet hij te vertellen dat er jongeren zijn die zich antisemitisch gedragen, ondanks het feit dat ze veel over de Holocaust weten. Lody van de Kamp komt met een anekdote over burgerschap. Hij was op voormalig kamp Westerbork met een groep jongeren, waar een Turkse jongen een vraag stelt aan de gids. Hij wilde weten hoe men ervoor gaat zorgen dat de herdenkingsplaats over twintig jaar niet wordt opgeheven door projectontwikkelaars. De gids antwoordt hierop dat het gaat om een monument en dat hij daarom hoopt dat het zal blijven bestaan. Hierop reageert de Turkse jongen met de opmerking dat hij zelf met anderen ervoor zal zorgen dat de plek niet wordt opgeheven.

Afsluiting

De debatleider dankt de aanwezigen voor hun komst en waardevolle bijdrage. Het volgende debat in de reeks vindt plaats op vrijdag 4 oktober 2013 en heeft als thema “Een Marokkaan in de kost”. Ook dat debat zal plaatsvinden op de locatie van Stichting Argan, aan de Jan Tooropstraat 6A, van 19.00 uur tot 21:00 uur.